woensdag 2 december 2009

Het Vlaamse kwalificatieraamwerk

Op 30 november 2009 vond er in Brussel een internationaal seminarie plaats met de titel ' National Qualifications Frameworks in an international perspective'. Dit seminarie werd gehouden ter ere van de lancering van de Vlaamse kwalificatiestructuur. Deze structuur is tot stand gekomen na 4 jaren van intens overleg met alle betrokken actoren in het veld en verschillende overheidsinstanties. Dat gaat van onderwijs-, opleidings- en vormingspartners tot studenten HO en de scholierenkoepel tot adviesorganen als VLOR, VLIR, VHLORA, SERV en SARC en de departementen werk en sociale economie, cultuur, jeugd en sport onder coördinatie van het departement onderwijs en vorming. Op deze manier is men gekomen tot een systeem waarbij alle kwalificaties (diploma’s, certificaten, ervaringsbewijzen, enz.) in één en dezelfde heldere structuur geordend worden, waar iemand ze ook verwerft. Die kwalificaties zullen bouwstenen worden in de loopbanen van levenslang leren. Vlaanderen is niet het enige land waar een dergelijke beweging heeft plaatsgevonden. Zo kregen we tijdens het seminarie een aantal cases toegelicht van verschillende landen over heel de wereld. Sommige landen als Australie en Zuid-Afrika beschikken reeds geruime tijd over een nationaal kwalificatieraamwerk. Naast nationale raamwerken werd er ook globaal gezien in het verleden reeds gewerkt aan verschillende regionale raamwerken, het European Qualification Framework (EQF) is daar slechts één voorbeeld van. Binnen Europa zelf wordt er momenteel op verschillende snelheden aan verschillende nationale raamwerken gewerkt. Zo kregen we een voorbeeld te zien van Ierland en Spanje, om tenslotte te eindigen bij een enthousiaste presentatie van het Vlaamse raamwerk. Wat beoogt deze structuur nu?
De kwalificatiestructuur verhoogt de transparantie van kwalificaties en de daarop gebaseerde opleidingen en maakt de communicatie tussen leerlingen, opleiders, werknemers en werkgevers eenvoudiger. Leerlingen en werknemers krijgen zo de kans om hun competenties zichtbaarder te maken en haalbare leertrajecten uit te tekenen. Opleiders kunnen helderder formuleren welke competenties nodig zijn om met een bepaalde opleiding te starten. Nieuwe opleidingen zullen ontstaan op basis van de competenties die voor beroepen worden uitgetekend. Ook nieuwe opleiders kunnen hun kwalificaties laten inschalen. Werkgevers zullen er beter in slagen de vereisten voor een vacature te definiëren en kandidaten naar waarde te schatten. Kortom, door zowel opleidingen als beroepen te verbinden met kwalificatieniveaus zal er een gemeenschappelijke taal ontstaan die onderwijs en werk dichter bij elkaar brengt.
Nu dat de kwalificatiestructuur er ligt wordt een nieuw agentschap in het leven geroepen dat zal garant staan voor de kwaliteit van dit instrument, nl. het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming.
De Vlaamse kwalificatiestructuur is ingebed in een ruimer Europees raamwerk voor levenslang leren (European Qualifications Framework). Dit raamwerk reikt een gemeenschappelijke terminologie aan om kwalificaties te beschrijven en aan elke kwalificatie een niveau toe te kennen. Hierdoor wordt het mogelijk om kwalificaties uit verschillende onderwijs- en opleidingssystemen in de Europese Unie met elkaar te vergelijken. Het EQF omvat 8 niveaus waaraan het Vlaamse raamwerk gekoppeld wordt. Vanaf 2012 zullen alle certificaten en diploma’s een verwijzing bevatten naar het overeenstemmende EQF-niveau.
In het raamwerk worden de kwalificaties op een eenduidige manier beschreven aan de hand van de vereiste competenties. Vervolgens verbindt men de kwalificaties met één van de acht kwalificatieniveaus. Zo wordt hun onderlinge verhouding en samenhang duidelijk. De kwalificatiestructuur verheldert dus welke competenties vereist zijn om te starten in een bepaald beroep of om door te stromen naar een bepaalde opleiding. Omdat zowel het onderwijs- en opleidingsveld (bv. VDAB, Syntra, secundaire scholen, CVO’s, …) als het werkveld (bv. werkgevers, vakbonden, vrijwilligersorganisaties, …) dit instrument zal gebruiken, bevordert dit de communicatie tussen de twee domeinen.
Opleidingen kunnen leiden tot één of meerdere beroeps- of onderwijskwalificaties. Zo zal iemand een bewijs dat gekoppeld is aan een beroepskwalificatie op de arbeidsmarkt kunnen inzetten. Een bewijs dat verbonden is met een onderwijskwalificatie geeft naast mogelijkheden op de arbeidsmarkt ook zicht op verder studeren.
Daarnaast speelt de kwalificatiestructuur een belangrijke rol in het verhaal van het erkennen van Eerder Verworven Competenties (EVC). Tot nu toe waren deze procedures vrij versnipperd. De kwalificatiestructuur kan de EVC-procedures helder en coherent maken. Om het even bij welke organisatie iemand EVC’s aanvraagt, de competenties zullen op dezelfde basis beoordeeld worden. Bovendien garandeert de kwalificatiestructuur dat de opgenomen kwalificaties aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. Zo kan het vertrouwen groeien in de EVC-procedures.
Hoger Beroepsonderwijs (HBO) dicht kloof tussen secundair en hoger onderwijs.
De niveaus 4 en 5 van de kwalificatiestructuur worden in Vlaanderen ingevuld met het Hoger Beroepsonderwijs. Deze nieuwe trede op de onderwijsladder tussen het secundair en het hoger onderwijs komt er in de eerste plaats voor leerlingen die na het secundair onderwijs via korte opleidingen een beroepskwalificatie willen verwerven. Het HBO omvat bestaande opleidingen die duidelijk gericht zijn op de arbeidsmarkt zoals opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie (HOSP), het zevende jaar TSO en de vierde graad beroepssecundair onderwijs. Tot nu toe hadden deze opleidingen een onduidelijke plaats in het onderwijslandschap. Daarnaast zullen ook nieuwe opleidingen onderdak vinden in het HBO. Deze opleidingen zullen in nauwe samenwerking met het werkveld tot stand komen, veel stage of werkplekleren omvatten en duidelijk inspelen op noden van de arbeidsmarkt. De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs hebben niet alleen onmiddellijke inzetbaarheid op de arbeidsmarkt voor ogen. Het HBO wil ook een opstap zijn naar een professionele bachelor. De talenten van sommige jongeren gaan nu verloren omwille van een misgelopen schoolloopbaan in het secundair of door een verkeerde studiekeuze. Een tussenniveau, zoals het hoger beroepsonderwijs, kan hen helpen om toch de onderwijsladder verder op te klimmen.
Kortom de kwalificatiestructuur zal bijdragen tot het ontwikkelen en inzetten van competenties van mensen. Een belangrijke voorwaarde is dat de belanghebbende actoren de kwalificatiestructuur effectief gebruiken als referentiekader voor hun werkzaamheden.
Kort samengevat zijn er vier toepassingsmogelijkheden:
1 opleidingen tot stand brengen
2 EVC-procedures uitwerken en afstemmen
3 (Leer)loopbanen begeleiden
4 kwalificatiebewijzen vergelijken
Dit laatste zal ook de leer- en jobmobiliteit binnen en buiten Vlaanderen bevorderen, omwille van de koppeling van het Vlaamse kwalificatieraamwerk aan het Europese raamwerk (EQF).
Het is nu aan de verschillende actoren in het veld om dit raamwerk vlees en bloed te geven!
Meer informatie over de presentaties kan je terugvinden op www.evcvlaanderen.be/nieuws/verslagen!

maandag 23 november 2009

Werken aan ondernemersvaardigheden

Flanders DC of voluit Flanders District of Creativity is de Vlaamse organisatie voor ondernemingscreativiteit. Deze organisatie werkt aan ondernemersvaardigheden en creativiteit via tal van projecten en activiteiten. Eén van hun actieterreinen is het onderwijs. Via initiatieven als “Ondernemende school”, de brainstormingtool “GPS voor ondernemingen”, de online cursus “Creatief denken” i.s.m. de V.D.A.B., de Bedenkers “Klaseditie”, … tracht Flanders DC ook in de klas en op school aan creativiteit en ondernemersvaardigheden te werken. Via netwerking wil het zoveel mogelijk onderwijsmensen met innovatieve projecten in contact brengen. Ook hun Fellows kunnen het onderwijs stimuleren. Een 50-tal Vlaamse creatieve ondernemers zijn bereid om over hun eigen ondernemersvaardigheden in de klas te komen spreken en de leerlingen en studenten aan te zetten tot creativiteit.
Dit najaar staat de opleiding tot innovatiemanager/innovatiecoördinator centraal. Deze opleiding start om het ad-hoc karakter van bovenstaande initiatieven te overstijgen. Deze coördinator gaat structureel op zoek naar nieuwe ideeën en zorgt dat vernieuwingsprojecten ook effectief op school en in de klas worden ingevoerd. Hij/zij zorgt ervoor dat de projecten die in het veld worden opstart en worden uitgevoerd, kunnen doorstromen naar de leerkrachten en directies van de scholengemeenschap waar hij/zij wordt tewerkgesteld. De resultaten van andere en eigen projecten worden in het netwerk dat ontstaat tijdens de opleiding besproken. De opleiding tot innovatiecoördinator duurt 4 dagen en focust op het opgang brengen van een innovatieproces en het stimuleren van creativiteit. Het brengt mensen samen om de ondernemerscreativiteit steeds op de agenda van het onderwijs te plaatsen en ook te behouden.
Ondertussen krijgt het ontwerp van een nieuwe Banaba ‘Schoolontwikkeling’ steeds meer vorm. Wordt er in deze nieuwe opleiding aandacht besteed aan de ondernemersvaardigheden en het creatieve denken? Flanders DC is alvast bereid om met geïnteresseerde lerarenopleidingen rond ondernemersvaardigheden en creativiteit in het curriculum van de lerarenopleiding van gedachten te wisselen.
http://www.flandersdc.be/

Competento is het Kenniscentrum voor het vormen van ondernemerscompetenties. Het is een initiatief van de Vlaamse Regering. Dit centrum wil ondernemerscompetenties bijbrengen door “het verzamelen van initiatieven, activiteiten, contacten, nieuws en informatie inzake ondernemersvorming voor alle geïnteresseerden; het verspreiden van de verzamelde kennis en ervaringen en het mee zorgen voor de uitbouw van contacten tussen de diverse betrokkenen op het werkterrein van ondernemersvorming.”
Competento bouwt bruggen tussen onderwijs, economie en werk en biedt gratis ondersteuning aan leerkrachten en lerarenopleidingen rond ondernemingszin.
Enkele aspecten uit hun werking op een rijtje:
- Inspiratiebundel: deze bundel biedt aan de verschillende onderwijsinstanties een overzicht van mogelijke initiatieven voor bepaalde doelgroepen om bijv. te gebruiken tijdens de ondernemersklasseweek (voorjaar 2010).
- Stimuleren van ondernemingszin in een activerend vernieuwd competitief onderwijs: Competento ondersteunt de ondernemersklasseweek. Er wordt tijdens deze week in de klas en op school extra aandacht besteed aan ondernemerscompetenties. De website van Competento, meer specifiek de databank voor lesgevers, zorgt voor een overzicht van heel wat bestaande initiatieven. Zo wil Competento alle opleidingen die met ‘leren ondernemen’ te maken hebben, bundelen. Dit laat toe om leerlingen, studenten, leerkrachten en docenten met ondernemerszin in contact te laten komen. Competento werkt ook met bedrijfsstages als een vorm van werkplekleren.
- O3-loop (Ondernemingszin in Opleiding en Onderwijs). Deze zelfevaluatietool geeft tips in de vorm van een rapport bij een uitgewerkt project. Dit instrument helpt leerkrachten en docenten om hun project rond ondernemerscompetenties te optimaliseren. De screening bestaat uit 25 items. Op het einde krijgt de leerkracht en de docent de nodige feedback. Er worden ook concrete tips aangereikt om de ondernemingszin nog meer te bevorderen.
http://www.competento.be/Competentonew/default.aspx

dinsdag 3 november 2009

Samen grenzen verleggen voor elk talent

'Samen grenzen verleggen voor elk talent'. Dat is de hoofddoelstelling in de beleidsnota 2009-2014 van onderwijsminister Pascal Smet: http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2009-2010/g202-1_origineel.pdf Hij wil elk kind, elke jongere, elke volwassene gelijke kansen bieden in onderwijs, opleiding en vorming. Om dat te realiseren moeten vier fenomenen aangepakt worden: de ongekwalificeerde uitstroom, de prestaties van zwakkere leerlingen, de sociale erfelijkheid van lage scholing en de prestaties van sterkere leerlingen en studenten. Dat doet hij door acht strategische doelstellingen uit te zetten, met telkens een aantal concrete acties.

1. Open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden vormen

Gelukkige kinderen en jongeren vandaag, betekenen een betere samenleving morgen. Daarom moet onderwijs open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden vormen. Een brede basisvorming zorgt ervoor dat kinderen en jongeren hun toekomst niet moeten ondergaan, maar zelf vorm kunnen geven.

  • Jongeren voorbereiden op actief burgerschap
  • Werken aan vredesopvoeding en herinneringseducatie
  • Inzetten op educatie voor duurzame ontwikkeling
  • Meer en betere kunst- en cultuureducatie voor alle leerlingen uitwerken
  • Het deeltijds kunstonderwijs verdiepen en verbreden
  • De begeleiding en ondersteuning van leerlingen versterken
  • De aanpak van spijbelen en antisociaal gedrag versterken
  • Preventief de psychische en fysieke gezondheid van leerlingen verhogen
  • Genderdiversiteit in het beleid van de scholen integreren
  • Meewerken aan het Vlaamse Jeugdbeleidsplan

2. Kansen geven aan elk talent

Omdat een optimale talentontwikkeling bijdraagt tot sociale cohesie, moeten jongeren vanaf het kleuter- tot en met het hoger onderwijs, alle kansen krijgen om hun talenten te ontdekken en te ontwikkelen. Daarnaast moeten de talenten van volwassenen volop gevaloriseerd en verder ontwikkeld worden.

  • Armoede bestrijden en sociale inclusie bevorderen
  • De participatie aan het kleuteronderwijs maximaliseren
  • Leerzorg en een zorgcontinuüm uitbouwen
  • De hervorming van het secundair onderwijs op de sporen zetten
  • Het tweedekansonderwijs en de werking van de examencommissies bijsturen
  • Het hoger beroepsonderwijs concreet vorm geven
  • Het hoger onderwijslandschap vorm geven en rationaliseren
  • De participatie aan het hoger onderwijs vorm geven, vooral bij jongeren uit kansengroepen
  • Studeren in het buitenland stimuleren
  • Onderzoek en innovatie stimuleren
  • Participatie aan levenslang leren verhogen
  • De digitale kloof wegwerken

3. Nederlands en vreemde talen leren, stimuleren om mee te doen in de geglobaliseerde samenleving

Elke leerling moet uitstekend Nederlands spreken, met daarnaast een degelijke kennis van twee of meer vreemde talen.

  • Nieuwe eindtermen implementeren
  • Nieuwe eindtermen ontwikkelen
  • Nederlands leren in scholen versterken
  • Nederlands als tweede taal stimuleren
  • Strategisch plan geletterdheid verder uitvoeren
  • Vreemde talen leren intensifiëren
  • Een taalbeleid in elke school aanmoedigen

4. Leerlingen voorbereiden op een succesvolle start op de arbeidsmarkt

  • Duurzaam samenwerken tussen onderwijs, werk en vorming
  • De Vlaamse kwalificatiestructuur invullen
  • Werkplekleren uitbreiden en de kwaliteit ervan verzekeren
  • Leren en werken consolideren
  • Beroepsopleidingen versterken
  • Werk maken van de beroepskolom (meer verticale samenhang in beroepsopleidingen)
  • Regionale Technologische Centra verder uitbouwen
  • Stimuleren van loopbanen in wetenschap en technologie
  • Topsportscholen evalueren

5. De leraar erkennen als sleutelfiguur in de vorming van open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden

Kwaliteitsvol onderwijs staat of valt met goede leraren. Zij vormen de spil van het leerproces. Daarom moeten de inspanningen van alle personeelsleden naar waarde geschat worden. Er wordt een nieuwe CAO voorbereid. Het is de bedoeling een nieuw geïntegreerd Vlaams syndicaal statuut op te stellen.

  • De lat voor de initiële lerarenopleiding hoger leggen
  • Hoger gekwalificeerden inzetten
  • Nascholing en werkplekleren stimuleren
  • Het beleidsvoerend vermogen van scholen versterken
  • Een professioneel personeelsbeleid mogelijk maken
  • De rechtspositie in het hoger onderwijs stroomlijnen

6. De maatschappelijke verwevenheid van onderwijs met lokale, regionale en internationale netwerken versterken

Dynamisch netwerkonderwijs is nodig om open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden te vormen, om alle talenten kansen te geven, om het talenonderwijs te ondersteunen en het onderwijs en de arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen. Het gaat om bondgenootschappen op verschillende niveaus: lokaal, regionaal en internationaal.

  • Het pedagogisch partnerschap tussen scholen en ouders ondersteunen
  • Brede scholen realiseren
  • De regierol van de gemeenten in het lokaal flankerende onderwijsbeleid verstevigen
  • Scholengemeenschappen versterken
  • Het onderwijs in de centrumsteden versterken
  • De internationale dimensie van het onderwijsbeleid verder vorm geven
  • Gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's sneller erkennen

7. Ervoor zorgen dat elke onderwijsinstelling topkwaliteit kan bieden

Het nieuwe decreet op de kwaliteit van het onderwijs regelt de taakverdeling tussen de onderwijsinstellingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinspectie. Dit decreet wordt verder geoperationaliseerd.

  • De interne kwaliteitszorg van de instellingen versterken
  • Informatierijke omgevingen ontwikkelen
  • De externe kwaliteitszorg verder uitbouwen
  • Kwaliteitszorg in het hoger onderwijs herzien
  • Wachtrijen bij inschrijvingen oplossen
  • Een nieuw omkaderingssysteem uittekenen om de middelen gerichter in te zetten waar ze het meest nodig zijn
  • Nieuwe financiering leerplichtonderwijs en de maximumfactuur evalueren
  • Financiering van het hoger onderwijs evalueren, bijsturen en verhogen
  • Regelgeving vereenvoudigen en transparanter maken
  • Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs verbeteren

8. Investeren in duurzame en moderne infrastructuur

Recente ontwikkelingen in onderwijs en samenleving stellen andere en nieuwe eisen aan een hedendaags schoolgebouw dan vroeger. Schoolgebouwen moeten toegankelijk, milieuvriendelijk en duurzaam zijn. ICT, brede school en andere onderwijsmethodes maken 'andere' schoolgebouwen noodzakelijk.

  • Scholen uitbouwen tot uitnodigende en stimulerende werk- en leefomgevingen
  • Aandacht voor het duurzaam karakter van de schoolinfrastructuu

De nota bevat verschillende doelstellingen voor het hoger onderwijs, hieronder enkele hiervan:

  • duidelijke structuren en rationalisatie
  • stelsel van studiefinanciering verruimen en sociale voorzieningen moderniseren
  • minstens 1 stageperiode met tutoringsproject in de geïntegreerde lerarenopleiding
  • mogelijkheid verruimen tot integratie van verschillende personeelsstatuten: differentiatie en ondersteuning wetenschappelijk onderzoek
  • hogeronderwijsbudget met 10 % verhogen

Enkele interessante links:

donderdag 8 oktober 2009

Het beroep van leraar doorgelicht

Woensdag 8 oktober ging een studiedag door over het beroep van leraar. Deze studiedag kwam voort uit een OBPWO-project dat zijn neerslag vond in het boek: "Leraars. Profiel van een beroepsgroep" (Elchardus, Huyge, Kavadias, Siongers en Vangoidsenhoven, 2009, Lannoo).

Op de studiedag stelden de onderzoekers de resultaten voor waarna in eerste instantie vertegenwoordigers van de vakbonden, de koepels en de overheid mochten reageren en ten slotte de nieuwe minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet, het woord kreeg.

Eerst werd de doorlichting van de beroepsgroep gesitueerd binnen het kader van de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen en de grote verwachtingen ten aanzien van onderwijs.
Belangrijk om te weten over deze studie is dat het beroep vergeleken werd met andere beroepen en dat geen nieuw onderzoek werd opgezet, maar in hoofdzaak bestaande onderzoeken en databanken werden bekeken.
Een volledig overzicht van de resultaten past niet binnen deze blog en daarvoor verwijs ik naar het boek. Aspecten die aan bod kwamen zijn de goede werkuren waardoor combinatie van gezin en werk haalbaar is, de hoge arbeidstevredenheid van leraren, de vervrouwelijking, de vergrijzing en mogelijk tekort, de moeilijke instap en uitrede, de kloof tussen contractuele en reële werkuren, de vlakke loopbaan, de vaste benoeming, het loon, enzovoort.

Wat werd er dan gezegd over deze aspecten, zult u zich misschien afvragen? Wat je verwacht dat erover gezegd zou worden, is het meest passende antwoord dat ik kan geven. Omwille van de grote herkenbaarheid om het positief uit te drukken. Niets nieuws onder de zon, zullen kwatongen wellicht beweren. Beide hebben gelijk. De meerwaarde ligt dan ook vooral in het overzicht dat geboden wordt van een heel gamma van aspecten van de beroepsgroep in vergelijking met andere beroepsgroepen. Het is een studie dat de komende maanden door menigeen zal aangegrepen worden in discussies.
Het onderzoek werd sterk geprezen door de panelleden. De vakbonden wreven zich uiteraard in de handen omdat ze ondersteuning vonden voor bepaalde knelpunten en zo hun eisen meer kracht kunnen bijzetten. De werkgevers herkenden de problemen ook uiteraard. De enige kritische noot die er kwam (van Mieke Van Hecke van het Katholiek Onderwijs) is dat door de nood aan objectiveerbare gegevens om te kunnen vergelijken, andere aspecten zoals ‘roeping’, ‘zorg’, ‘engagement’ vergeten dreigen te worden.

Uit de waterval aan gegevens neem ik er hier drie uit die mij van belang zijn voor de lerarenopleidingen:

1. Er werd gewezen op de heterogene instroom in de bacheloropleidingen (meer instroom uit TSO en BSO, minder uit ASO). Terecht wellicht, maar men vergeet in dit verhaal toch stelselmatig te kijken naar de uitstroom uit die lerarenopleiding. Is er ook reden om aan te nemen dat de uitstroom uit de lerarenopleiding (of nog beter in de context van het onderzoek: de instroom in het beroep) ook heterogener wordt. Misschien is dat meer aangewezen om te onderzoeken dan de instroom in de lerarenopleiding.

2. Lerarenopleiding wordt meer dan in andere beroepen als tweede keuze gevolgd. Zo wordt de opleiding professionele bachelor secundair onderwijs (‘de regentaatopleiding’ zeggen de onderzoekers) vaak aangevat na mislukking op de universiteit (32%). Ik vraag me wel af of een tweede keuze ook een minder overtuigde of minder geëngageerde keuze is.

3. En last but not least: de moeilijke intrede in het beroep is wellicht het knelpunt dat het meest ter harte wordt genomen zowel door de vakbonden, de werkgevers (koepels) als door de minister die hiervan een duidelijke prioriteit wenst te maken. Deze intrede wordt gekenmerkt door een lange periode van korte en deeltijdse opdrachten in verschillende scholen (wat contrasteert met het tekort aan leraren dat zich voordoet), maar volgens de onderzoekers ook door:
o Grote werkdruk
o Administratieve planlast
o Moeilijk verwerven van didactisch materiaal
o Problemen met discipline in de klas
In vergelijking met andere beroepen is het beroep van leraar dan ook een van de weinige beroepen waarin starters heel wat meer uren presteren dan ervaren rotten in het vak. En dit alles met een groot kwalijk gevolg voor de beroepsgroep: een groot aandeel jonge leerkrachten stroomt binnen de vijf jaar uit het beroep (en dit geldt a fortiori voor leraren in het secundair onderwijs).
Dit element zouden we vanuit de lerarenopleiding toch ter harte moeten nemen. Zeker als je tussen de redenen voor een moeilijke start vindt: “moeilijk verwerven van didactisch materiaal” en “problemen met discipline in de klas”. Wat kunnen lerarenopleidingen doen om de intrede in het beroep gemakkelijker te maken? Het lijkt me de moeite om daarover van gedachten te wisselen. Uiteraard zouden structurele maatregelen hier een aanzienlijk verschil kunnen maken (bv. kleinere lesopdrachten voor starters), maar wellicht kunnen ook vanuit de lerarenopleidingen zinvolle initiatieven worden opgezet. Hoe kan didactisch materiaal beter beschikbaar worden voor starters? Kunnen we tijdens de opleiding iets doen om zich beter voor te bereiden? Een handleiding voor starters met allerlei bronnen voor informatie en materiaal? Zou een systeem van ‘terugkomdagen’ die beginnende leraren terughalen naar de opleidingsinstelling waar ondersteuning kan gegeven worden met tips en materiaal helpen?

Zie ook http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=DMF20091007_105

vrijdag 2 oktober 2009

European Conference on Educational Research 2009

Gisteren 30 september eindigde de European Conference on Educational Research 2009. Gedurende drie dagen kwamen zo'n 2000 onderwijsonderzoekers samen om van gedachten te wisselen. Er komt een heel breed gamma van onderwerpen aan bod aangezien dit een conferentieis waar veel historisch pedagogen, fundamenteel pedagogen,beleidspedagogen en orthopedagogen aan participeren. In tal van voordrachten en symposia gaat ook veel aandacht uit naar de lerarenopleiding. Dit houdt allicht verband met de vaststelling dat in
vele landen het pedagogisch onderzoek wordt uitgevoerd in instellingen die ook voor lerarenopleiding verantwoordelijk zijn.
Zonder enige volledigheid te betrachten en volledig vanuit m'n eigen beperkte invalshoek bekeken vielen me een paar zaken op:
* in een hele reeks bijdragen is ingegaan op de rol die onderzoek te spelen heeft in de lerarenopleiding. Hierbij is aandacht uitgegaan naar actie-onderzoek en naar de vraag wat 'evidence-based teacher education' kan betekenen. Vooral veel kritische stemmen werden gehoord. Velen achten het niet vanzelfsprekend om wat in de lerarenopleiding aan de
orde komt in de eerste plaats in empirisch onderzoek te verankeren. Men vreest een eenzijdigheid en een verlies aan professionalisme. Tegelijkertijd wordt ook de vraag naar de basis van dat professionalisme gesteld.
* in tal van bijdragen worden nieuwe classificatiesystemen en 'eigen' aanpakken toegelicht. Kenmerkend voor deze conferentie is dat deze telkens weer worden bevraagd, dat telkens weer de onderbouwing van 'het eigene', 'de identiteit' wordt betracht én in vraag gesteld.
* de reden voor de aandacht voor onderzoeksintegratie lijkt mede verband te houden met een evolutie in tal van landen waarbij 'colleges of education' en dus ook lerarenopleidingen basisonderwijs naar de universiteit migreren. De integratie van die opleidingen in
universiteiten roept de vraag naar de wetenschappelijke onderbouwing op. Het leek me dat er sprake is van een 'academiseringsoperatie' zonder dat iedereen het al eens is over de wenselijkheid laat staan over de richting van deze operatie.
* in bijdragen waarin aandacht is voor ICT-integratie stijgt het aantal pogingen om de feitelijke praktijk (ook in de lerarenopleidingen) in kaart te brengen. In tal van gevallen gebeurt dit nog via vragenlijsten waarbij men in eerste instantie percepties bevraagt maar zoals onder meer uit een Tsjechse bijdrage bleek probeert men ook steeds meer te gaan kijken wat er nu in de opleidingen concreet tot stand wordt gebracht. Het besef dat ageren en spreken over actie twee verschillende
acties zijn die niet noodzakelijk met elkaar corresponderen. Dat thans het feitelijk gebruik van web2.0 toepassingen geregeld aan de orde is mag geen verwondering wekken.
* net als in School of Education proberen enkele onderzoekers te toekomst te vatten. Een belangrijke impuls is het 'Building schools for the Future' project in het Verenigd Koninkrijk. Dit project lijkt het grootste schoolbouw-project te zijn sinds de Victoriaans periode. De gelegenheid wordt te baat genomen om scholen te bouwen die recente opvattingen en inzichten weerspiegelen.
Het lijkt me erg zinvol dat we via deze conferentie de vinger aan de pols houden. Ik heb een vermoeden dat lerarenopleiders uit andere landen ook wel erg geïnteresseerd zouden kunnen zijn in wat via de expertisenetwerken in Vlaanderen wordt gerealiseerd. Misschien volgend
jaar een SoE-bijdrage ?

woensdag 30 september 2009

Studievoormiddag Teaching And Learning International Survey (TALIS)

Op woensdag 30 september 2009 werden de TALIS-onderzoeksresultaten uitgebreid voorgesteld op een studievoormiddag in het Departement Onderwijs & Vorming in Brussel.

Dit Teaching And Learning International Survey (TALIS) is een internationaal vergelijkend onderzoek van de OESO, waar wereldwijd 23 landen aan deelnamen. In de eerste helft van 2008 zijn ruim 3.500 leerkrachten uit de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs bevraagd over hun taak als leerkracht en de schoolomgeving waarin ze deze taak vervullen. Ook hun directies, van in totaal meer dan 200 Vlaamse scholen, zijn hierover bevraagd. Hierbij kwamen thema’s aan bod zoals: professionele ontwikkeling; attitudes tegenover lesgeven; lespraktijk; schoolleiderschap en evaluatie van scholen en leerkrachten.

Voor meer informatie over het opzet van dit onderzoeksprogramma en de resultaten kan je terecht op: http://www.ond.vlaanderen.be/OBPWO/TALIS/default.htm

dinsdag 29 september 2009

Fan of multilingual education

Na het volgen van de Europese dag van de talen op 25 septemer 2009 komen heel wat vragen bovendrijven:

- wat zijn de kosten van het invoeren van een methodiek als CLIL (content and language integrated learning) in ons secundair onderwijs?
- wat zijn de effecten van het op spelenderwijs jonge kinderen een andere taal bijbrengen?

Ik geloof heel erg in multilinguale educatie, vooral met de toenemende globalisatie, desalniettemin wil ik toch even stilstaan bij deze vragen.

Allereerst een woordje uitleg over CLIL: CLIL is een onderwijsmethode waarbij de instructietaal voor zaakvakken een andere taal is dan de moedertaal van de leerlingen, bijv. het onderwijzen van aardrijkskunde in het Engels aan Vlaamse leerlingen. CLIL is niet nieuw. Zo vernam ik van een Nederlandse collega die het CLIL-expertisecentrum runt in Utrecht dat 112 van de Nederlandse VWO-scholen (onze ASO) CLIL-scholen zijn (in Nederland zijn er een 600-tal secundaire scholen, dus een vijfde is een CLIL-school, waarbij het Engels een waardige plaats krijgt naast het Nederlands). CLIL verschilt van immersie in die zin dat in immersie scholen het hele takenpakket in een andere taal wordt gegeven. In Toronto, Canada heeft men zo bijvoorbeeld een heleboel 'French Immersion schools' (de hele school spreekt Frans) of 'French Immersion classes' waarbij dan enkel in deze klassen Frans de voertaal was. Bij CLIL gaat het over slechts 3 tot 4 lestijden per week in een andere taal. In Vlaanderen werd via de proeftuinen in 9 scholen de CLIL-methodiek geintroduceerd. Dit project is gestart in 2007 en loopt af eind 2010. Prof. Lies Sercu en Lies Strobbe van de K.U.Leuven leiden dit project. Bezorgdheden die in dit project ook naar voren kwamen zijn de volgende:
- het is al zo slecht gesteld met het Nederlands van onze leerlingen, zal CLIL-onderwijs dit niet nog meer in de hand werken? En een vraag die hier mee samenhangt: wat met de kwaliteit van het Nederlands van vooral allochtone leerlingen?
- kunnen we het leerplan van dat zaakvak dan nog afwerken?
- hebben we voldoende bekwame leerkrachten hiervoor? Leerkrachten die niet alleen vakdidactisch onderlegd zijn maar ook taaldidactisch.
- worden scholen hierin ondersteund?
- is CLIL niet vooral aangewezen voor de sterkere leerlingen, leidt dit tot de creatie van een nieuwe elite?

Het is nog even afwachten op de eindresultaten van het proeftuinenproject maar Lies Sercu kon toch al een aantal preliminaire onderzoeksresultaten toelichten:
- in het begin verloopt de introductie van het vak in een andere taal wat moeizamer, toch slaagt men erin het volledige leerplan af te werken, de vertraging is miniem en slechts bij het begin te merken
- de beheersling van het Nederlands lijdt niet onder CLIL, integendeel een aantal onderzoeken tonen een stijging aan in de beheersing van de vreemde taal en de moedertaal. Leerlingen worden taalvaardiger in het algemeen. Multilinguale educatie sluit een goede beheersing van de moedertaal niet uit, maar gaan hand in hand.
- zowel TSO-scholen als ASO-scholen namen deel aan het proeftuinenproject. Bij beide is een positief effect te merken.
- de leraren die een professionele Bachelor-opleiding achter de rug hebben zijn beter opgeleid dan de leraren met een Master-opleiding om CLIL onder de knie te krijgen. Professionele bachelors hebben immers zowel taaldidactische als vakdidactische kennis en vaardigheden, terwijl masters vooral opgeleid zijn op vakdidactisch vlak.

Dit laatste heeft natuurlijk repercussies voor onze lerarenopleidingen. Niet alleen taalbeleid maar talenbeleid in deze opleidingen is gewenst. Als we een goed antwoord willen bieden op de toenemende globalisatie dienen onze leraren hiervoor ook opgeleid te worden.

Ik blijf echter twijfelen aan de validiteit van de resultaten van dit proeftuinenproject in Vlaanderen: het is me niet helemaal duidelijk hoe deze scholen werden gekozen, als zij hier vrije keuze in hadden en niet ad random gekozen werden dan zijn de onderzoeksresultaten invalied. Binnen de proeftuinen kregen alle leerlingen bovendien de vrije keuze tussen CLIL-traject of Nederlandstalig traject. Opnieuw: zijn het alleen de 'sterkeren' die hiervoor kiezen uit de 'betere' scholen? Als dit zo is dan kunnen we de resultaten in de vuilbak smijten.

Tot slot nog een woordje over vroege vreemde taal verwerving. In een keynote met daaropvolgend een interessante workshop lichtte Sabine Pirchio (universiteit Rome, Traute Taeschner) een methode toe voor vroege vreemde taalverwerving in Italie. We kregen het boeiende verhaal te horen van de Dinocrocs Hocus en Lotus en zagen met videobeelden hoe jonge kinderen op een speelse wijze in de kleuterklas en de lagere school via een en dezelfde methode het Engels verwierven. Elke dag of verschillende malen per week beeldden de kinderen samen met de leraar in de klas een verhaal uit van de dinocrocs Hocus en Lotus (duur: 20 minuten), dit verhaal gebeurt in het Engels, want Hocus en Lotus praten geen Italiaans. Via liedjes en bewegingen en een magisch t-shirt die allen de verhalen ondersteunen leven de kinderen zich in in het leven van de twee dinocrocs en beseffen hierbij nauwelijks dat ze een andere taal leren. De verhaaltjes zijn opgebouwd met veel repetitie en om de link naar thuis ook te maken zijn er ook animatiefilmpjes die thuis bekeken kunnen worden. Heel geleidelijk worden de verhaaltjes complexer. Meer info over deze methode en de materialen kan je terugvinden op www.hocus-lotus.edu. Dit deed me denken aan de gelijkaardige methodiek die in Quebec, Canada hieromtrent gebruikt wordt. Neem hiervoor eens een kijkje op volgende website: www.aimlanguagelearning.com.
Veel onderzoek werd gedaan naar de effectiviteit van beide methodes en de resultaten zijn zeer positief.
Waarom wachten we in Vlaanderen tot het vijfde leerjaar met de introductie van een andere taal? Weerom ik geloof dat het verwerven van een andere taal hand in hand kan gaan met sterk moedertaalonderwijs. Het ene sluit het andere niet uit. Waar wachten we nog op?

Meer info over de hele dag, kan je terugvinden op www.edt-vl.be. Alle keynotes en discussies zullen hier op gepost worden.

dinsdag 15 september 2009

Studiedag: Integratie van onderzoek in onderwijs Een reus op lemen voeten?

Op de studiedag van 15/09/2009 werden kort de resultaten van het IOO-project (Integratie van onderzoek in onderwijs: Ambities en realisaties binnen de Associatie K.U.Leuven) voorgesteld. In dit project werden met OOF-middelen 2 instrumenten ontwikkeld voor het in kaart brengen van onderzoeksintegratie op het curriculumniveau: IOO-profiel-doelen en IOO-profiel-vorm. Tevens werden aan de hand van deze instrumenten data verzameld over onderzoeksintegratie aan de Associatie K.U.Leuven. Daarna kwamen verschillende sprekers aan bod die vertelden hoe ze onderzoeksintegratie vorm gaven en/of hoe ze met de resultaten van het project aan de slag zijn gegaan.

Workshops

1. Opleidingen en het IOO-profiel-doelen
In deze workshops vertellen twee opleidingen hoe op de resultaten van het IOO-profiel doelen werd gereageerd en welke overwegingen men eventueel heeft gemaakt om met de resultaten om te springen. Mogelijke uitgangsvragen hierbij zijn of de resultaten van de analyse bevestigen wat de opleiding al wist, en of er nieuwe vragen zijn ontstaan als gevolg van de resultaten. Sprekers zijn Stijn Dhert, over de bachelor onderwijs: Secundair Onderwijs van Groep T en Geraldine Clarebout over de bachelor onderwijskunde van de K.U.Leuven, Campus Kortrijk.

2. Werken met het IOO-profiel-vorm op opleidingsniveau
In deze workshops vertelt een opleidingsverantwoordelijk en een beleidsverantwoordelijke hoe zij trachten onderzoeksintegratie vorm te geven in hun opleiding of instelling en hoe ze eventueel het instrument van het IOO-profiel-vorm hiervoor (willen) gebruiken. Sprekers zijn Johan Baeten van de bachelor en master industrieel ingenieur Elektro-mechanica en Dirk Smits, Diensthoofd onderzoekscentrum PRAGODI van de HUB.

3. Werken met de IOO-profiel-vorm op het niveau van een opleidingsonderdeel
In deze workshops vertellen twee docenten hoe ze onderzoek in hun onderwijs integreren.
Sprekers zijn Walter Troost, van de K.U.Leuven en Koenraad Hinnekint, van het Lemmens instituut.

4. IOO en de ontwikkeling van kritisch denken

In deze workshop worden twee instrumenten voor het meten van kritisch denken voorgelegd. Daarna volgt een discussie over de mogelijkheden van deze testen om de effecten van onderzoekintegratie op het leren van studenten na te gaan. Spreker is Sigrid François, van het Centrum voor Instructiepsychologie en Technologie.

Meer info: http://associatie.kuleuven.be/nieuws/studiedag_integratie_onderzoek_onderwijs/programma.html

Bedenkingen

- Blijkbaar gaat er heel wat schuil onder het koepelbegrip 'onderzoek' en wat dat moet betekenen voor bijvoorbeeld een lerarenopleiding. Op welk niveau moet onderzoek worden geïntegreerd in een lerarenopleiding, moet dit worden aangeboden door docenten die zelf wetenschappelijk onderzoek verrichten, wat verwachten we van onze studentenaan het einde van hun opleiding,...?

maandag 15 juni 2009

Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse regering, deel onderwijs en vorming

Beste collega's

Een eerste aanzet voor onze blog. Ik lees momenteel volgend document: http://www.vlaanderen.be/w3vlaanderen/Bijdrageregeerakkoord2009/36OV.pdf.

Dat in aanloop van de aantredende Vlaamse regering.

Het is nogal algemeen maar geeft een aantal interessante aanzetten en krachtlijnen.

donderdag 14 mei 2009

Studiedag over voorstel 'Monard' rond 'Hervorming van het secundair onderwijs'

Op donderdagnamiddag 14 mei 2009 organiseerde School+ een studienamiddag rond het thema "Hervorming van het secundair onderwijs: een mijlpaal in de democratisering?". Georges Monard kwam er de "blauwdruk" voor de hervorming van het secundair onderwijs voorstellen die een werkgroep onder zijn leiding gedurende een jaar, sinds april 2008, heeft uitgewerkt. Idès Nicaise, professor van het HIVA-KUL en auteur van o.a. "Gelijke kansen op school: het kan! " (uitgeverij Plantyn) toetste af of de voorgestelde hervorming gelijke kansen in het onderwijs bevordert.

Meer info: http://www.skolo.org/spip.php?article1026

woensdag 6 mei 2009

Studienamiddag Novelle 'Kwaliteitszorg in de SLO'

Deze dag (6/05/2009) beoogde uitwisseling van informatie over en ervaringen met (interne) kwaliteitszorg in lerarenopleidingen en verkenning van mogelijkheden voor een systeem van (interne) kwaliteitszorg in de specifieke lerarenopleiding, mede in het licht van het beoordelingskader.


A. Programma

1. Kwaliteitszorg en visitaties
Floris Lammens (VLHORA) & Pieter-Jan Van de Velde (VLIR)
- Algemeen kader: externe kwaliteitszorg, visitaties, zelfevaluatierapporten en interne kwaliteitszorg
- Het beoordelingskader voor de specifieke lerarenopleidingen

2. Ervaringen met kwaliteitszorg in de geïntegreerde lerarenopleidingen
2.1. Vijf pijlers voor een kwaliteitszorgsysteem in het hoger onderwijs
Zjef Beerten, stafmedewerker kwaliteitszorg Katholieke Hogeschool Limburg
2.2. Kwaliteit georganiseerd
Paul Himschoot, kwaliteitscoördinator Provinciale Hogeschool Limburg
2.3. Voorbereiding en opvolging van een visitatiebezoek
Departement Lerarenopleiding, Xios Hogeschool Limburg

3. Enkele instrumenten voor interne kwaliteitszorg aan de faculteit Bedrijfseconomische Wetenschappen van de Universiteit Hasselt
Chris Masui, Ilse Hornikx & Ilse Peters, onderwijskundige dienst, faculteit BEW, Universiteit Hasselt

4. Reflecties bij de presentaties als opstap tot discussie
Geert Reynders, ex-verantwoordelijke kwaliteitszorg lerarenopleidingen Katholieke Hogeschool Limburg, externe secretaris VLHORA -visitaties

5. Discussie


B. Presentaties

http://www.novelle.be/KwaliteitszorgSLO