Woensdag 8 oktober ging een studiedag door over het beroep van leraar. Deze studiedag kwam voort uit een OBPWO-project dat zijn neerslag vond in het boek: "Leraars. Profiel van een beroepsgroep" (Elchardus, Huyge, Kavadias, Siongers en Vangoidsenhoven, 2009, Lannoo).
Op de studiedag stelden de onderzoekers de resultaten voor waarna in eerste instantie vertegenwoordigers van de vakbonden, de koepels en de overheid mochten reageren en ten slotte de nieuwe minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet, het woord kreeg.
Eerst werd de doorlichting van de beroepsgroep gesitueerd binnen het kader van de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen en de grote verwachtingen ten aanzien van onderwijs.
Belangrijk om te weten over deze studie is dat het beroep vergeleken werd met andere beroepen en dat geen nieuw onderzoek werd opgezet, maar in hoofdzaak bestaande onderzoeken en databanken werden bekeken.
Een volledig overzicht van de resultaten past niet binnen deze blog en daarvoor verwijs ik naar het boek. Aspecten die aan bod kwamen zijn de goede werkuren waardoor combinatie van gezin en werk haalbaar is, de hoge arbeidstevredenheid van leraren, de vervrouwelijking, de vergrijzing en mogelijk tekort, de moeilijke instap en uitrede, de kloof tussen contractuele en reƫle werkuren, de vlakke loopbaan, de vaste benoeming, het loon, enzovoort.
Wat werd er dan gezegd over deze aspecten, zult u zich misschien afvragen? Wat je verwacht dat erover gezegd zou worden, is het meest passende antwoord dat ik kan geven. Omwille van de grote herkenbaarheid om het positief uit te drukken. Niets nieuws onder de zon, zullen kwatongen wellicht beweren. Beide hebben gelijk. De meerwaarde ligt dan ook vooral in het overzicht dat geboden wordt van een heel gamma van aspecten van de beroepsgroep in vergelijking met andere beroepsgroepen. Het is een studie dat de komende maanden door menigeen zal aangegrepen worden in discussies.
Het onderzoek werd sterk geprezen door de panelleden. De vakbonden wreven zich uiteraard in de handen omdat ze ondersteuning vonden voor bepaalde knelpunten en zo hun eisen meer kracht kunnen bijzetten. De werkgevers herkenden de problemen ook uiteraard. De enige kritische noot die er kwam (van Mieke Van Hecke van het Katholiek Onderwijs) is dat door de nood aan objectiveerbare gegevens om te kunnen vergelijken, andere aspecten zoals ‘roeping’, ‘zorg’, ‘engagement’ vergeten dreigen te worden.
Uit de waterval aan gegevens neem ik er hier drie uit die mij van belang zijn voor de lerarenopleidingen:
1. Er werd gewezen op de heterogene instroom in de bacheloropleidingen (meer instroom uit TSO en BSO, minder uit ASO). Terecht wellicht, maar men vergeet in dit verhaal toch stelselmatig te kijken naar de uitstroom uit die lerarenopleiding. Is er ook reden om aan te nemen dat de uitstroom uit de lerarenopleiding (of nog beter in de context van het onderzoek: de instroom in het beroep) ook heterogener wordt. Misschien is dat meer aangewezen om te onderzoeken dan de instroom in de lerarenopleiding.
2. Lerarenopleiding wordt meer dan in andere beroepen als tweede keuze gevolgd. Zo wordt de opleiding professionele bachelor secundair onderwijs (‘de regentaatopleiding’ zeggen de onderzoekers) vaak aangevat na mislukking op de universiteit (32%). Ik vraag me wel af of een tweede keuze ook een minder overtuigde of minder geĆ«ngageerde keuze is.
3. En last but not least: de moeilijke intrede in het beroep is wellicht het knelpunt dat het meest ter harte wordt genomen zowel door de vakbonden, de werkgevers (koepels) als door de minister die hiervan een duidelijke prioriteit wenst te maken. Deze intrede wordt gekenmerkt door een lange periode van korte en deeltijdse opdrachten in verschillende scholen (wat contrasteert met het tekort aan leraren dat zich voordoet), maar volgens de onderzoekers ook door:
o Grote werkdruk
o Administratieve planlast
o Moeilijk verwerven van didactisch materiaal
o Problemen met discipline in de klas
In vergelijking met andere beroepen is het beroep van leraar dan ook een van de weinige beroepen waarin starters heel wat meer uren presteren dan ervaren rotten in het vak. En dit alles met een groot kwalijk gevolg voor de beroepsgroep: een groot aandeel jonge leerkrachten stroomt binnen de vijf jaar uit het beroep (en dit geldt a fortiori voor leraren in het secundair onderwijs).
Dit element zouden we vanuit de lerarenopleiding toch ter harte moeten nemen. Zeker als je tussen de redenen voor een moeilijke start vindt: “moeilijk verwerven van didactisch materiaal” en “problemen met discipline in de klas”. Wat kunnen lerarenopleidingen doen om de intrede in het beroep gemakkelijker te maken? Het lijkt me de moeite om daarover van gedachten te wisselen. Uiteraard zouden structurele maatregelen hier een aanzienlijk verschil kunnen maken (bv. kleinere lesopdrachten voor starters), maar wellicht kunnen ook vanuit de lerarenopleidingen zinvolle initiatieven worden opgezet. Hoe kan didactisch materiaal beter beschikbaar worden voor starters? Kunnen we tijdens de opleiding iets doen om zich beter voor te bereiden? Een handleiding voor starters met allerlei bronnen voor informatie en materiaal? Zou een systeem van ‘terugkomdagen’ die beginnende leraren terughalen naar de opleidingsinstelling waar ondersteuning kan gegeven worden met tips en materiaal helpen?
Zie ook http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=DMF20091007_105
donderdag 8 oktober 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Who is interested in education anyway when the whole idea of it seem to be some kind of profound mistake. We have the ability to harness the presence of life and a quest for our originality in the present. To master a true understanding of our creative potential.
BeantwoordenVerwijderen