donderdag 28 januari 2010

WIVO-Studiedag “Moet dat nu? Is Vlaanderen toe aan een hervorming van het secundair onderwijs?” op 19-01-2010 te Brussel

1. Willy Brion, voorzitter WIVO

WIVO is een dynamische, inspirerende denkgroep van geëngageerde onderwijsverantwoordelijken uit het secundair onderwijs en de lerarenopleiding hoger onderwijs, die geïnspireerd en gedreven vanuit de opdrachtverklaring elkaar maandelijks ontmoeten om na te denken hoe deze doelstellingen in de schoolpraktijk en -structuren gerealiseerd kunnen worden. Meer info: http://www.ivo-wivo.be/

Uitdagingen voor huidig onderwijs volgens WIVO

1. Een goede oriëntatie van leerlingen naar goede en gepaste studierichtingen.

2. Voorkomen van schoolse vertraging: de sociaaleconomische achtergrond is bepalend voor zittenblijven en dit werkt sociale ongelijkheid in het onderwijs in de hand. Anderzijds moeten we onderwijs ook zien als een hefboom om uit de sociaal ongelijke positie te komen.

3. Tevens is ook de onderwijsinfrastructuur en -structuur bepalend voor de ongelijkheid.

2. Koen Lowet, klinisch kinder- en jeugdpsycholoog/teambegeleider, Orthopedagogische Groep Limburg vzw

· Probleemstelling: Ons huidig onderwijs is georganiseerd op een sprongsgewijze ontwikkeling van de adolescent waardoor er een grote kloof ontstaat tussen SO en BaO.

· Wat is de specificiteit van de adolescentie als ontwikkelingsperiode?

Elk kind ontwikkelt op zijn eigen tempo, volgt zijn eigen ontwikkelingslijn. Die lijn wordt bepaald door een complex samenspel tussen stimulerende en belemmerende factoren. De adolescentie is een erg specifieke ontwikkelingsfase die wordt gekenmerkt door lichamelijke, cognitieve, sociale en persoonlijke veranderingen. Fysieke groei (enorme groeispurt, hormonale veranderingen, maatschappelijke druk op jonge vrouwen,…), sociale groei: zich spiegelen aan leeftijdsgenoten en niet langer aan de ouders, verschillende opvoedingsstijlen,…), persoonlijke groei (identiteitscrisis) en cognitieve groei (ontwikkeling van het hypothetisch-deductief redeneren: vanaf de puberteit zijn jongeren in staat om op basis van regels hypotheses te vormen en te toetsen, ontwikkeling metacognitie: bewustwording van het eigen denkproces, egocentrisme: zichzelf als middelpunt van het universum zien, groei prefrontale cortex: impulsbeheersing, organiseren/plannen en complexe situaties inschatten,…

Maw het is een stormachtige periode die aanleiding kan geven tot probleemgedrag bij de jongeren.

· Hoe kan de school hiermee omgaan: mogelijkheden, valkuilen en uitdagingen?

Gezien kinderen meer dan 60% van hun tijd tijdens deze periode op school doorbrengen, speelt de school een belangrijke rol in de adolescentie, zowel als plaats waar groeikansen als valkuilen zich voordoen.

o Kansen op maatschappelijke binding, om peerrelaties te vormen, om andere sekse te ontmoeten, om cognitieve groei te doorlopen,…

o Valkuilen: sociale ontbinding (na schorsing op school), genegeerd worden, negatieve peerinvloeden, cognitieve trein die te snel gaat (kloof met BaO te groot),…

o Uitdagingen: sociale vaardigheden trainen, trainen in plannen en organiseren, ruimte creëren voor diversiteit en identificatie, jongeren steeds opnieuw kansen bieden, detecteren van stresssignalen, gedifferentieerd werken (op tempo van elk kind), beroep kunnen doen op een groot netwerk (ouders, hulpverleners, vroegere leerkrachten,…), balans zoeken tussen experimenteerruimte en structuur, coaching en ondersteuning van leraarsteam,…

· Besluit: De leerkracht en de school zijn centrale figuren in het leven van de jongere. Aandacht voor de gedifferentieerde ontwikkeling van die jongeren is een must. Verder kijken dan wat we op het 1ste zicht zien!

3. Maarten Simons, docent Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

· Probleemstelling: Vanuit een onderwijspedagogisch perspectief aan antwoord formuleren op de vragen: wat is het typisch schoolse aan een school en wat is er wezenlijk aan het lerarenschap?

· De school: spanningsveld:

de school als productieve tijd: maatschappelijke en competentiegerichte oriëntatie (onze problemen oplossen, inzetbaarheid, alle talenten maximaal mobiliseren, geen plaats voor oefening en studie,…)

de school als vrije tijd: loskomen van de samenleving, tijd vrijmaken om kennis op te doen en te oefenen, vrij voor algemene persoonsvorming met voorbereiding op hoger onderwijs en de arbeidsmarkt, belang van drempels en abstractie van inhouden, plaats voor studie en oefening van de leerstof, kennis omwille van de kennis, kunde omwille van de kunde en houding omwille van de houding,…

· De leraar: spanningsveld:

verantwoording: zakelijkheid en methodische deskundigheid, alles wat de leraar doet moet hij/zij verantwoorden, de leraar als professional/deskundige,…

kwetsbaarheid en verantwoordelijkheid van de leraar, de amateur/liefhebber voor zijn/haar vak,…

· Besluit: uitdagingen

o Niet enkel talenten (input), differentiatie (proces) en competenties (output) als bouwsteen voor SO, maar ook inhoud/leerstof en opdracht van de school/leraar!

o Vermijden dat competentieprofielen leiden tot een open matrix en fragmentatie.

o Oriëntatie niet enkel als ‘keuzeprobleem’, maar ook zien als interesse opwekken en kennis laten maken met de wereld.

o Vermijden dat gerichtheid op de ‘lerende’ (talentontwikkeling, leerbehoeften,…) in de plaats komt van verantwoordelijkheid van leraren voor inhoud en voor zijn/haar leerlingen.

o Kansen geven aan leraren om zich blijvend in te laten met inhouden/leerstof (theoretische component in de lerarenopleiding is van groot belang).

o Zoeken naar manieren om leerstof te formuleren/selecteren zonder onmiddellijk te vertrekken vanuit competenties, zonder te moeten vasthouden aan klassieke vakindeling.

o Zoeken naar nieuwe vormen van studie/oefening en schoolse vormen van discipline (ervaringen en praktijken van leraren zijn van groot belang).

4. Roger Standaert, directeur Curriculum

· Probleemstelling: Het Vlaamse secundair onderwijs in vergelijkend perspectief met andere EU-landen: zoektocht naar tendensen.

· Vlaamse eigenheid: sterk uitgebouwd kleuteronderwijs, veel vertrouwen in leraren, geen staatsscholen, minder subsidies, meer onafhankelijkheid en meer vrijheid, grote oprichtingsvrijheid, voor iedereen vrij toegankelijk hoger onderwijs,… Tendensen

1. Categoriaal ↔ comprehensief

2. Omgaan met heterogeniteit: differentiëren op moeilijkheidsgraad (eindtermen + uitbreidingsdoelen), leertijd (vakantietaken), groeperingsvormen (niveaugroepen), methoden (hoekenwerk) of belangstelling (keuzevakken).

3. Gradaties in integratie: categorieën volgens schoolresultaten, gemeenschappelijkheid met niveaugroepen/zittenblijven/differentiatie

· Onderzoek leert ons dat ieder onderwijssysteem zijn voor- als nadelen heeft afhankelijk van de variabelen die je in rekening brengt: zittenblijven, verschillen in resultaten, zelfconcept,…

· Voorbeeld comprehensief onderwijs in Finland: scoort op alle variabelen zeer goed, maar ook minder goed op zelfconcept van de leerling. Finland wordt gekenmerkt door een homogene maatschappij, algemene aanvaarding dat de staat/gemeenten veel regelt in het onderwijs, maatschappelijke waardering en professionalisering van de leraren is hoog, grondige selectie van leraren (lager secundair onderwijs: masters in Pedagogiek + minoropleiding in specifieke vakken; voor hoger secundair onderwijs: master in specifieke vakken + minor in Pedagogiek).

5. Georges Monard, voorzitter Comissie-Monard

Toelichting van het rapport Monard, wegens tijdsgebrek licht Monard slechts enkele punten uit het rapport. Hiervoor refereren we naar het volledige rapport Monard en de presentatie van o.a. John Maes tijdens de 1ste bijeenkomst van de SoE-werkgroep ‘Hervorming SO’ op 7 oktober 2009.

6. Panelgesprek met Koen Lowet, Maarten Simons, Roger Standaert, Georges Monard en Walter Van Dam (ondervoorzitter St.A.M.-Vlaanderen)

De panelleden antwoorden en discussiëren over vragen die uit het publiek komen. Wegens tijdsgebrek zijn maar enkele vragen aan de orde geweest en heeft het debat slechts 15 minuten geduurd. Enkele discussiepunten waren:

· Zijn jongeren vandaag competenter dan vroeger? Daar is geen evidentie over in de ontwikkelingspsychologie.

· De lerarenopleiding staat in dienst van het basis- en secundair onderwijs.

· Belangstellingsgebieden zouden een samenspel moeten zijn van verschillende studierichtingen.

· Vakbekwaamheid is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor een goede leraar.

Conclusie: wat nemen we mee?

Welke stellingen, ideeën, theorieën,… uit deze studiedag nemen we mee naar de lerarenopleiding?

· Aandacht voor de gedifferentieerde ontwikkeling van jongeren door het aanbieden van een goed uitgebouwd (keuze)begeleidingstraject en differentiatie in werkvormen, moeilijkheidsgraad, groeperingsvormen, belangstelling,…

· EN-EN-verhaal: niet enkel talenten, differentiatie en competenties als onderdelen van het vernieuwd secundair onderwijs, maar ook inhoudelijke (vak)kennis is onmisbaar. Vakbekwaamheid is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor een goede leraar. Kansen geven aan leraren om zich blijvend in te laten met inhouden: evenzeer nadruk op theoretische component in de lerarenopleiding als op de praktijkcomponent, uitbouw van voldoende groot nascholingsaanbod, optrekken van de lerarenopleiding naar een 4-jarige opleiding (combinatie master en minor zoals in Finland)?,…

· Actie ondernemen om de maatschappelijke waardering van leraren op te trekken.

· De lerarenopleiding staat in dienst van het basis- en secundair onderwijs. Hervormingen aldaar hebben hun invloed op de uitbouw van de lerarenopleiding.

·

Geen opmerkingen:

Een reactie posten